Definitieve berekening van toeslagjaar 2015

De Belastingdienst meldt dat medio juni Belastingdienst/Toeslagen start met het definitief berekenen van aanvragen over 2015.

Wijzigingen toeslagjaar 2015

Wijzigingen over toeslagjaar 2015 die vanaf 1 mei worden ingediend, leiden niet meer automatisch tot een nieuw voorschot 2015. In de meeste gevallen zullen deze wijzigingen worden meegenomen in de definitieve vaststelling voor 2015. Indien de wijziging ook betrekking heeft op toeslagjaar 2016, dan wordt deze wel automatisch opnieuw berekend.

Indieningstermijn voor aanvragen 2015

Toeslagen over 2015 kunnen worden aangevraagd tot 1 september 2016. Dit kan niet meer voor kinderopvangtoeslag, omdat deze binnen 3 maanden moet worden aangevraagd na de maand waarin het kind voor het eerst naar de opvang gaat.

Uitstel aangifte inkomstenbelasting

Wanneer er sprake is van uitstel voor de aangifte inkomstenbelasting 2015, dan kan toeslag worden aangevraagd tot de datum waarop het uitstel afloopt.


Wet DBA is een feit

Het is zover, de VAR is nu echt verdwenen. De Wet DBA is vanaf 1 mei een feit. Het is nu niet meer mogelijk om een VAR aan te vragen. Opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen nu gebruikmaken van door de Belastingdienst goedgekeurde voorbeeldovereenkomsten om zekerheid te krijgen over de zelfstandigheid van de opdrachtnemer.

Van VAR naar DBA-overeenkomsten

Vanaf 1 mei 2016 zijn afgegeven VAR-verklaringen niet meer geldig en moeten opdrachtgever en opdrachtnemer gebruik maken van eigen overeenkomsten of door de Belastingdienst goedgekeurde voorbeeldovereenkomsten. Deze voorbeeldovereenkomsten geven zekerheid over de zelfstandigheid van de opdrachtnemer en voor maximaal vijf jaar vrijwaring van loonheffingen.

Gevolg Wet DBA

Een belangrijk gevolg van de Wet DBA is dat de controle weer vooral komt te liggen bij de Belastingdienst, die in het oog moet houden of conform de overeenkomst wordt gewerkt. Verder is de opdrachtgever medeverantwoordelijk voor de fiscale kwalificatie van de arbeidsrelatie die hij zelf mede vormgeeft, onder de VAR lag de verantwoordelijkheid nog (grotendeels) bij de opdrachtnemer.

Geen zekerheid over IB-gevolgen

De kwalificatie van een voorgelegde overeenkomst door de Belastingdienst zegt, net als de VAR, niets over de fiscale status van de opdrachtnemer voor de inkomstenbelasting. Een eventueel ondernemerschap van de opdrachtnemer en het van toepassing zijn van de fiscale ondernemersfaciliteiten wordt ‘los’ beoordeeld.


Maatregelen verlichting loondoorbetaling bij ziekte

De kosten van een langdurig zieke werknemer zijn veel hoger dan werkgevers inschatten. Minister Asscher heeft een drietal maatregelen in gang gezet bij de Tweede Kamer om de druk wat te verlichten.

  1. Ook werkgevers kunnen, onder bepaalde voorwaarden, een vervroegde IVA-uitkering aanvragen.
  2. De keuze voor inzetten van een tweede spoortraject wordt de keuze van werkgever en werknemer, op basis van advies van de bedrijfsarts. Het UWV toetst dan of het re-intergratieproject volgens plan van aanpak is verlopen. Het wel of niet inzetten van een tweede spoortraject zal hierdoor niet langer kunnen leiden tot een loonsanctie van UWV.
  3. Premiestelling verzuimverzekering moet stabieler. Alle verzekeraars moeten de verzuimverzekering aan gaan bieden op basis van de ‘forward looking’ premiestelling. Hierbij wordt de premie gebaseerd op een schatting van het toekomstige risico met als gevolg een stabielere premie.

Beantwoording Kamervragen over ‘bizarre nieuwe wereld van zzp’er’

Staatssecretaris Wiebes van Financiën informeert de Tweede Kamer over de beantwoording van Kamervragen over DBA en zzp’ers. Het Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt van CDA had Wiebes twintig vragen gesteld over de nieuwe wereld van de zzp’er.

Naleven van modelcontracten

In antwoord op de vraag hoe precies een zzp’er zich moet houden aan de modelcontracten, reageert Wiebes als volgt: In de algemene modelovereenkomsten en de branchemodellen in het kader van de Wet DBA zijn de relevante bepalingen geel gemarkeerd. Bij het naleven van de overeenkomst gaat het erom dat overeenkomstig die bepalingen wordt gewerkt. Een kleine incidentele afwijking van een fiscaal relevante bepaling zal niet meteen tot het vervallen van de zekerheid omtrent de loonheffingen leiden, mits de opdrachtgever of opdrachtnemer kan aantonen dat er sprake is van een incident. Er is bijvoorbeeld sprake van een kleine incidentele afwijking als de opdrachtnemer een stuk gereedschap thuis laat liggen en die dag een stuk gereedschap van zijn opdrachtgever gebruikt. Net zoals op andere deelterreinen van de fiscaliteit beoordeelt de Belastingdienst de situatie naar redelijkheid en zonder zinloze scherpslijperij. De stelling dat een zzp’er zich ‘heel precies moet houden aan de modelcontracten’ behoeft dan ook ruime nuancering, aldus Wiebes.

Dienstbetrekking of niet

De staatssecretaris gaat ook in op de vraag over welke factoren een aanwijzing kunnen vormen voor het bestaan van een dienstbetrekking. Wiebes geeft aan dat die factoren in onderlinge samenhang worden beoordeeld. ‘Pas nadat alle relevante factoren in onderlinge samenhang zijn bekeken, kan de conclusie worden getrokken of er sprake is van een dienstbetrekking of niet. Sommige factoren wijzen eerder naar de aanwezigheid van een dienstbetrekking dan andere’, aldus Wiebes.

Factoren dienstbetrekking

Staatssecretaris Wiebes somt de volgende factoren op die een aanwijzing kunnen vormen voor het bestaan van een dienstbetrekking:

  • Deelname aan de pensioenvoorziening en aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de opdrachtgever zijn factoren die sterk wijzen in de richting van een dienstbetrekking.
  • Deelname aan vergaderingen bij de opdrachtgever (met werknemers van de opdrachtgever) kan een aanwijzing zijn dat de opdrachtnemer feitelijk binnen het organisatorische kader van het bedrijf van de opdrachtgever werkzaam is en kan daarmee een aanwijzing vormen richting dienstbetrekking. Dit is echter afhankelijk van de aard van de vergadering: deelname aan een afdelingsoverleg met een algemeen karakter wijst uiteraard eerder in de richting van een dienstbetrekking dan deelname aan een overleg dat specifiek gaat over de opdracht van de zzp’er.
  • Het verstrekken of vergoeden van een opleiding of cursus aan de opdrachtnemer vormt een sterke aanwijzing richting dienstbetrekking.
  • Het ter beschikking stellen van bedrijfskleding door de opdrachtgever kan een aanwijzing vormen voor het bestaan van een dienstbetrekking.
  • Het ter beschikking stellen van veiligheidsmiddelen (mondkapjes, gehoorbescherming, etc.) door de opdrachtgever hoeft geen aanwijzing te zijn voor het bestaan van een dienstbetrekking.
  • Het ter beschikking stellen van een kantoorwerkplek (bureau, bureaustoel, computer, printer) zal doorgaans geen aanwijzing zijn voor het bestaan van een dienstbetrekking.

‘Belastingaangifte moet naar 1 mei’

De deadline voor het doen van belastingaangifte moet naar 1 mei. De oude datum van 1 april is niet langer haalbaar voor de fiscus, zegt directeur-generaal Hans Leijtens van de Belastingdienst in het AD. Net als vorig jaar werd de termijn dit jaar verlengd naar 1 mei, maar niet definitief.

VIA is vanaf 1 maart beschikbaar

De meeste Nederlanders doen namelijk pas in maart aangifte omdat de Belastingdienst dan de meeste gegevens al heeft ingevuld. ‘Pas eind januari zijn alle gegevens van belastingplichtigen bij ons binnen. De vooraf ingevulde aangifte (VIA) is vanaf 1 maart beschikbaar. Een maand voor 9 miljoen aangiftes is simpelweg te kort’, zegt Leijtens tegen het AD.

Verlenging

In 2015 werd de aangiftetermijn vanwege computerproblemen die zich een jaar eerder voordeden al met een maand verlengd. Ook dit jaar hebben mensen tot eind april om aangifte te doen. Maar, dit termijn is niet definitief, wat de directeur-generaal wel zou willen.

Van aangiftetermijn af

De droom van Leijtens is zelfs dat we van de hele aangiftetermijn af kunnen. Volgens hem zou het het mooiste zijn als de belastingen constant geïnd en verrekend kunnen worden, zonder een aanslag achteraf. ‘En dat iedereen een soort online portemonnee heeft en kan kiezen wat hij of zij vooruit wil betalen. Dat zal echter nog even duren.’


Berekening loonheffing wijzigt per 1 april

Vanaf 1 april verandert de berekening van de loonheffing. Dit betekent dat de werknemer per maand tussen de € 3 en € 10 netto minder overhoudt dan nu. Hoe hoger het inkomen, hoe meer belasting er geheven wordt op het inkomen. De tarieven in box 2 en box 3 veranderen niet.

Wijziging

Vanaf 1 januari 2016 zijn de belastingtarieven gewijzigd. De tarieven werden pas in december 2015 bekend. Daardoor kon de Belastingdienst de programma’s waarmee ze de loonheffing berekenen, niet op tijd aanpassen. Ook in de salarissystemen van werkgevers en uitkeringsinstanties konden de nieuwe tarieven niet op tijd worden verwerkt.

Verrekend

In januari, februari en maart konden zij dus niet het juiste bedrag aan loonheffing inhouden. Vanaf 1 april gebruiken werkgevers en uitkeringsinstanties de juiste tarieven. Ook het bedrag dat eerder te weinig is ingehouden, wordt dan verrekend.

Ambtenaren verliezen het meest

Salarisdienstverlener ADP berekende dat de ambtenaren er het meest op achteruit gaan doordat de overheidssector ook meer pensioenpremie gaan betalen. Een ambtenaar met een inkomen van anderhalf keer modaal gaat er netto € 11 per maand op achteruit; twee keer modaal ziet maandelijks € 17 minder op de salarisstrook terug.

Gepensioneerde ook achteruit

De belastingverhoging beperkt zich niet tot werkenden, zo waarschuwde ADP. Gepensioneerden met een aanvullend pensioen van € 1700 gaan enkele dubbeltjes per maand meer betalen. ‘Omdat veel gepensioneerden vaak meerdere kleinere pensioenen ontvangen, lijkt het alsof de belastingverhoging hen niet raakt. Maar over het totaal van hun aanvullende pensioenen en AOW-uitkering kan de tariefstijging van 22,3% naar 22,5% betekenen dat gepensioneerden volgend jaar iets meer moeten bijbetalen dan gedacht’, aldus het ADP.


Wiebes: Belastingtelefoon geeft geen casusspecifiek advies

Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft de Kamervragen beantwoord over het onderzoek van de Consumentenbond waaruit bleek dat de Belastingtelefoon wederom een onvoldoende scoorde. Wiebes kan zich niet vinden in het oordeel van de Consumentenbond. ‘Bedacht moet worden dat de Belastingtelefoon informatie geeft en geen casusspecifiek advies.’

 

Kamervragen

Van Weyenberg (D66) stelde naar aanleiding van het onderzoek van de Consumentenbond, waaruit bleek dat de Belastingtelefoon wederom een onvoldoende scoorde, Kamervragen. Hij vroeg toelichting waardoor de Belastingtelefoon volgens het onderzoek alleen maar slechter is gaan functioneren, waarom er geen verbetering is en waardoor er verschil zit in het onderzoek van de Consumentenbond en het onderzoek uitgevoerd door Onderzoeksbureau IPSOS. Over het jaar 2015 werd volgens IPSOS 89% van de vragen naar behoren beantwoord.

 

Verschil in onderzoek

De staatssecretaris is het op verschillende punten niet eens met het onderzoek van de Consumentenbond. Zo legde hij in de Kamerbrief uit dat de wijze waarop de onderzoeken hebben plaatsgevonden geheel verschilde. Zo schrijft hij: ‘De Belastingdienst laat door een externe partij onderzoek doen naar de kwaliteit van de complexe fiscaal- en toeslageninhoudelijke vragen. Sinds 1 januari 2014 doet IPSOS – daarvoor was dat TNS/NIPO – onderzoek naar de kwaliteit van de beantwoording van die vragen. IPSOS voert iedere twee weken een serie zogenaamde mystery calls uit (in 2015 waren dat er 17.000). De vragen die door IPSOS gesteld worden zijn een afspiegeling van de inhoudelijke vragen die burgers stellen. (…) Het onderzoek van de Consumentenbond richt zich op completere en meer casusspecifieke informatie dan waarvoor de Belastingtelefoon bedoeld of geschikt is. De vragen die de Consumentenbond heeft gesteld zijn dermate specialistisch en vatbaar voor verschillende wetsinterpretatie dat dit eerder zaken zijn voor een belastingadviseur.’

 

Belastingtelefoon is voor informatie

Volgens Wiebes zijn de vragen van de Consumentenbond niet representatief voor de vragen die binnenkomen bij de Belastingtelefoon: ‘Het totale belaanbod bij de Belastingtelefoon bestaat voor circa 90% uit status- en procesvragen over belasting- en toeslagenaangelegenheden. Ongeveer 10% van het totale aanbod bestaat uit fiscaal- en toeslageninhoudelijk vragen. De vragen zoals de Consumentenbond die stelt vormen van die 10% maar weer een beperkt deel. Bedacht moet worden dat de Belastingtelefoon informatie geeft en geen casusspecifiek advies.’


Reactie Belastingdienst op conclusie advocaat-generaal Niessen

De Belastingdienst heeft al een massaalbezwaarprocedure lopen bij de Hoge Raad over de vraag of de Belastingdienst uit mag gaan van een forfaitair rendement van 4% op spaartegoeden. Ze reageert daarmee op de vele publiciteit die de conclusie van advocaat-generaal Niessen heeft gekregen.

Massaalbezwaarprocedure loopt al

De massaalbezwaarprocedure bij de Hoge Raad liep al, maar door het advies van advocaat-generaal Niessen, ligt het forfaitair rendement van 4% over spaartegoedn weer onder een extra vergrootglas. Daarom meldt de Belastingdienst als reactie daarop, dat mensen geen bezwaar hoeven te maken tegen aanslagen van inkomstenbelasting over box 3 spaartegoeden, als dat het enige is waarmee ze het niet eens zijn.

Strijd met artikel 1

Advocaat-generaal Niessen heeft op 16 februari zijn conclusie over een procedure waarin het gaat om de vraag of er sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (eigendomsrecht) en de fundamentele vrijheden naar de Hoge Raad gestuurd. Deze conclusie kreeg veel publiciteit.

In strijd met eigendomsrecht

De advocaat-generaal is van mening dat de forfaitaire vermogensrendementsheffing willekeurig kan uitwerken en in strijd kan komen met het eigendomsrecht. Hij adviseert de Hoge Raad om de zaak te verwijzen naar een gerechtshof. Het hof zal moeten onderzoeken of in dit specifieke geval de vermogensrendementsheffing buitensporig is. De Hoge Raad is niet verplicht de mening van de advocaat-generaal te volgen, maar kan daar wel rekening mee houden bij het nemen van zijn beslissing.


Handreiking beoordelingskader DBA gepubliceerd

De Belastingdienst heeft de ‘Handreiking beoordelingskader overeenkomsten arbeidsrelaties’ (Handreiking DBA) gepubliceerd. Hierin staan de kaders die de Belastingdienst gebruikt van voorgelegde overeenkomsten: moet de opdrachtgever op grond van deze overeenkomst wel of geen loonheffingen inhouden.

Toezegging

Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft de publicatie van dit beoordelingskader toegezegd tijdens de parlementaire behandeling van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties. De Belastingdienst en UWV hebben in het verleden een gezamenlijk besluit ‘Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking’ uitgebracht. Dat besluit is in heroverweging.

Bronnen


DBA geeft vooralsnog weinig zekerheid

In het kader van de Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) heeft de Belastingdienst voorbeeldovereenkomsten gepubliceerd, maar daar is nogal wat op aan te merken. De zekerheid die deze overeenkomsten zouden geven bleek beperkt tot fiscale aspecten.

Onwettige bepalingen

Er werd al snel vastgesteld dat in een aantal van de door de Belastingdienst goedgekeurde overeenkomsten het risico van eventuele boeten en naheffingen tóch uitsluitend bij de opdrachtnemer werd gelegd. Wiebes moest dan ook begin februari 2016 uitleggen waarom er modelovereenkomsten waren goedgekeurd met ‘onwettige bepalingen’ (mondeling vragenuur van 9 februari 2016).

Beperkte beoordeling

De staatssecretaris stak zijn gebruikelijke verhaal af over de grote verbetering die het werken van modelovereenkomsten gaat opleveren, maar moest toegeven dat hij te makkelijk had toegezegd dat goedgekeurde overeenkomsten zouden worden gepubliceerd. De opmerking van Wiebes dat hij in zijn toezegging had aangegeven dat er alleen op de fiscale aspecten zou worden gelet, wordt terecht afgeschoten door de Kamer. Als je een voorbeeldovereenkomst goedkeurt en publiceert, verwacht toch niemand dat er slechts een beperkte beoordeling heeft plaatsgevonden?

Pas echte zekerheid eind 2016

De fouten zouden nu gecorrigeerd moeten zijn (Wiebes noemde op 9 februari 2016 een termijn van twee weken) maar dit zijn blijkbaar alleen de ‘bekende’ en duidelijke fouten. Wiebes geeft namelijk aan dat pas in het vierde kwartaal van 2016 een uitgebreide juridische toetsing zal plaatsvinden. Dat is inderdaad, zoals hij aangeeft, nog voordat de feitelijke handhaving begint, maar de vraag is dan hoe zzp’ers tot die tijd moeten gaan werken. Vanaf 1 mei 2016 bestaat de VAR niet meer en moet met overeenkomsten worden gewerkt (dit kunnen eigen overeenkomsten zijn of de goedgekeurde overeenkomsten). Als er enige twijfel bestaat over de overeenkomsten ‘van de Belastingdienst’ zullen zzp’ers het zekere voor het onzekere nemen en die voorlopig niet gebruiken. Het hele idee van de voorbeeldovereenkomsten – niet zelf puzzelen, lastenverlichting, en dergelijke – gaat dan op de schop. En hoe gaat het met de zzp’er die nu gebruikmaakt van de ‘foute’ overeenkomsten? Worden die met terugwerkende kracht vervangen?

Genoeg vragen. In de woorden van Wiebes: ‘…we zijn nog te onduidelijk over de nieuwe duidelijkheid…’.

Petitie

Op 18 februari 2016 is een petitie gestart om de voorwaarden die aan een overeenkomst worden gesteld aanzienlijk te vereenvoudigen. Verder zouden alle zzp’ers persoonlijk moeten worden geïnformeerd over de nieuwe wetgeving en de consequenties hiervan en wordt staatssecretaris Wiebes verzocht ervoor te zorgen dat er voor alle branches waarin zzp’ers actief zijn een voorbeeldovereenkomst beschikbaar is. De petitie werd binnen een paar dagen al bij 25.000 keer ondertekend.